


|
De geschiedenis van
de Oude Abtswoning
De Oude Abtswoning van Dielegem, Tiebackxstraat
nr 14, is het enige overblijfsel van de oude abdij, officieel gesticht
in 1095 door een handvest van Gautier, Bisschop van Cambrai, met de steun
van d'Onulphe, Heer van Wolvertem, voor de Augustijnerkanunniken. In 1140
nemen de monniken de statuten aan van de Nobertijnen, gesticht door de
heilige Norbertus in het bos van Laon, waarvan de volgelingen zich vestigen
in de lage landen.
De Jetse abdij neemt in de XIIIde eeuw de naam Diligem aan. De abdij bezat
bijna de helft van het huidige gemeentelijke grondgebied, van de Romeinsesteenweg
(momenteel Schapenweg) tot de Molenbeek.
Doorheen de eeuwen, kent de abdij vele lotgevallen met periodes van welvaart
en relatieve vrede, vooral onder het Oostenrijks bestuur.
De abdij zal een grote religieuze rol spelen op parochiaal en kloosterniveau,
gezien ze negen parochies bestuurde, deze van Jette, Ganshoren, Neder-
en Over-Heembeek, Denderleeuw, Wolvertem, Impde, Meuzegem en Rossem. Maar
ook op economisch en sociaal vlak speelt ze een belangrijke rol voor de
lokale bevolking, met de uitbating van de gronden en het geleverde werk
voor verschillende beroepen. Ook een politieke rol gezien de abdij, geëerd
door de prelatuur in 1532, lid was van het bestuur van Brabant sinds de
XIVde eeuw.
De abdij kent ook reconstructiefases, waarvan de laatste, gerealiseerd
onder de voorlaatste abt Jean Van de Daele, overleden in 1789, uitgevoerd
werden rond 1775 door Laurent-Benoît Dewez, eerste architect van Charles
de Lorraine. Hij herbouwt de abdij in neo-klassieke stijl, Lodewijk XVI,
met zandsteen uit de steengroeven uit de buurt, voornamelijk uit het Poelbos.
De wet van 1 september 1796, onder
het Franse bestuur, verbiedt de kloosters. Op 10 november van dat jaar,
worden de gelovigen verdreven, de boeken en kunstwerken verkocht. In juni
1797, werden de gebouwen en inboedel verkocht, met de verplichting de
religieuze gebouwen te vernietigen. De gronden, verkocht per opbod, werden
voornamelijk opgekocht door Franse speculanten.
De abdijkerk, het klooster, het kloosterkapittel en de religieuze vertrekken
werden vernietigd. Enkel de oude abtswoning werd gespaard, daar ze beschouwd
werd als lusthuis. De ringmuur en het voorportaal worden in 1929 neergehaald.
Na in de handen te vallen van verschillende
eigenaars, wordt de abtswoning, tussen 1840 en 1847, eigendom van notaris
Morren. Zijn erfgenamen verkopen het in 1898 aan dokter Capart. Deze bewoont
het gebouw een tiental jaar en verhuurt het van 1913 tot 1915 aan Portugese
Jezuïeten, van van 1919 tot 1924 aan het Gesticht van Brussel, die er
debiele kinderen in onderbrengt.
In 1929, geven de erfgenamen van dokter
Capart de abtswoning en haar tuinen in de handen van een immobiliënbedrijf
die het geheel verkavelt. De abtswoning wordt ter beschikking gesteld
van het Mechels aartsbisdom om te dienen als voorlopige parochiekapel.
De kanunnik Deleux, norbertijn van Grimbergen, is er geestelijke van 1929
tot 1946. De snelle uitbreiding van de wijk zorgde voor de stichting van
een nieuwe parochie. Er werd uiteindelijk een kerk opgetrokken, waarvan
de eerstesteenlegging plaatsvond op 1966, getekend door architect Marc
Dessauvage en opgedragen aan de Heilige Jozef. In het gebouw vindt men
een plaasteren replica van de O.L.V. van Dielegem, Maagd der Kinderen
waarvan het origineel geschonken werd aan Faid'herbe.
Op 27 januari 1950, besliste de Jetse gemeenteraad om de abtswoning aan
te kopen en een koninklijk besluit van 3 februari 1953, klasseert het
als historisch monument.
In 1959 neemt architect Brigode, professor aan de katholieke universiteit
van Leuven, de restauratie op zich.
Op 7 september 1972, opent burgemeester Jean Neybergh de gerestaureerde
abtswoning, die nu de architecturale trots van Jette vormt. |