
Reglement op de ongemeubelde lokalen
bestemd voor huisvesting en op de gemeubelde en ongemeubelde lokalen bestemd
voor het wonen van studenten
Samengevat
In Jette, moeten ongemeubelde lokalen bestemd voor huisvesting een oppervlakte
bieden van minimum 35m² voor een gezin van twee personen of minder. Voor
een gezin van meer dan twee personen, is de minimale oppervlakte 40m²,
waar een vastgelegde oppervlakte moet worden bijgereken per kind of volwassene
in het gezin. Wat betreft studentenwoningen, deze moeten minstens 9m²
zijn.
Bovendien moeten deze woningen voldoende wezelijke kwaliteit bieden betreffende
de bewoonbaarheid.
HOOFDSTUK I ONGEMEUBELDE LOKALEN BESTEMD VOOR HUISVESTING
AFDELING 1 - TOEPASSINGSGEBIED
Artikel 1: Huidig reglement is van
toepassing op:
- alle gebouwen met een oorspronkelijk karakter van ééngezinswoning waarin
aan een aantal personen, voor een willekeurige periode, ongemeubelde lokalen
worden aangeboden als woonruimte en aldus omgevormd worden tot woningen
voor meerdere gezinnen;
- alle gebouwen waarin het oorspronkelijk aantal woongelegenheden wordt
vermeerderd of waarin het aantal woongelegenheden wordt onderverdeeld;
- alle gebouwen waarin het aantal woongelegenheden niet bezet wordt overeenkomstig
de oorspronkelijke opvatting van het gebouw;
- alle appartements- of flatsgebouwen
Artikel 2: De verordening is niet
van toepassing op inrichtingen waarvoor andere wettelijke bepalingen vastgesteld
zijn, in 't bijzonder rusthuizen, bejaardentehuizen, hotels, ziekenhuizen,
internaten verbonden aan scholen, inrichtingen voor sociale bijstand,
enz ...
Artikel 3: Elke persoon die het voornemen
heeft veranderingen uit te voeren zoals bedoeld in artikel 1 (afdeling
1) is ertoe gehouden eerst een toelatingsaanvraag in te dienen bij het
College van Burgemeester en Schepenen.
AFDELING 2 - KWALITEITS- EN VEILIGHEIDSNORMEN
Artikel 4: Ligging
De achtergebouwen evenals de lokalen
waarvan de zoldering zich op minder dan 1m boven het maaiveld bevindt
mogen niet voor bewoning gebruikt worden, tenzij zij er als dusdanig voor
opgevat werden en op voorwaarde dat ze een vrije hoogte hebben van 2m10.
Artikel 5: Minimum aantal bewoonbare
plaatsen
1.Dagvertrekken
De woning moet omvatten:
a) een woonkamer;
b) een keuken of kookhoek;
2. Nachtvertrekken
De woning moet, wat het aantal nachtvertrekken
betreft, volgende mogelijkheden bieden:
- een kamer per paar;
- een kamer per kind van 2 tot minder dan 10 jaar of per groep van 2 kinderen
van 2 tot minder dan 10 jaar;
- een kamer per kind van 10 tot 17 jaar inbegrepen of een kamer per groep
van 2 kinderen van 10 tot 17 jaar inbegrepen;
- een kamer voor ieder volwassene of per groep van 2 volwassenen van 18
jaar en meer.
3. Studios
De woningen oorspronkelijk opgevat
als studio zonder nachtvertrekken mogen slechts bewoond worden door 1
of 2 personen.
Artikel 6:
Minimale bewoonbare oppervlakte
Onder bewoonbare oppervlakte wordt
verstaan, de som van de oppervlakten gemeten tussen de binnenwanden van
de vertrekken van de woning.
Komen niet aanmerking bij de berekening van de bewoonbare oppervlakte:
de trappenhuizen, de gangen, de bergkamers, de kelders en de zolders die
niet als woonplaats zijn ingericht, de niet bewoonbare bijgebouwen en
de autobergplaats.
Voor de gezinnen van twee personen of minder moet de bewoonbare oppervlakte
minimum 35 m² bedragen.
Voor de gezinnen die meer dan twee personen tellen, moet de bewoonbare
oppervlakte 40 m² bedragen, verhoogd:
a) met 6 m²
per groep van twee kinderen van 2 tot minder dan 10 jaar;
per kind van 10 tot 17 jaar inbegrepen of per groep van twee kinderen
van 10 tot 17 jaar inbegrepen;
voor ieder volwassene van 18 jaar en meer;
b) met 12 m²
voor ieder ander paar dan de hoofdbewoner.
Het aldus bepaalde minimum dient met
8 m² te worden verhoogd wanneer het aantal in de woning gehuisveste personen
gelijk is of meer bedraagt dan acht.
Artikel 7: Goede bewoonbaarheid
De woningen moeten de kwaliteiten
vertonen van een volwaardige woongelegenheid en voldoen aan de normen
van onderhavig reglement.
De muren, de vloer, de beschotten en de zolderingen van de dag- en nachtvertrekken
mogen geen teken van bestendige vochtigheid vertonen en er mogen geen
scheuren of barsten aanwezig zijn welke lucht doorlaten of waterdoorzijpelingen
mogelijk maken.
Artikel 8: Natuurlijke verluchting
en verlichting
De vertrekken die, zowel overdag als
's nachts, voor bewoning kunnen gebruikt worden, moeten voorzien zijn
van ten minste één vertikaal venster of ten minste één dakvlakvenster
dat rechtstreeks uitgeeft op de vrije lucht en op een ruimte die groot
genoeg is om de onmisbare natuurlijke verluchting en verlichting mogelijk
te maken. In geen enkel geval mag de verhouding van de netto-oppervlakte van de
vensters tot de oppervlakte van de door deze vensters verlichte vloer
lager dan 1/5 zijn. De oppervlakte van de dakvensters van de dakkamers,
of van de koepels, of van andere doorzichtige panelen, die de bovenste
verdiepingen verlichten, moet minstens een halve vierkante meter bedragen.
Artikel 9: Uitrusting
De minimale uitrusting van de woning
vergt de aanwezigheid van een systeem van bevoorrading van drinkwater
of de aansluiting op het watervoorzieningsnet, de aansluiting op het elektriciteitsnet
en een afvoersysteem voor de afvalwaters aangesloten aan het openbaar
rioleringsnet. Bovendien dient elke uitbreiding van de technische uitrusting
van het gebouw te gebeuren volgens de grondregels van de bouwkunst.
Artikel 10: Sanitaire installaties
Iedere woning moet voorzien zijn van
ten minste een wastafel met een kraan met stromend water en een reukafsnijder
en verbonden zijn met een verluchte afvoerbuis en een eigen W.C. met spoelinrichting.
Deze laatste mag geen directe toegang hebben tot bewoonbare vertrekken
of tot een lokaal waar voedingsstoffen bereid of bewaard worden.
De sanitaire lokalen moeten voorzien zijn van een voldoende rechtstreekse
buitenverluchting.
De vertrekken uitgerust met een waterverwarmer gevoed met gas moeten voorzien
zijn van een opening van minstens 150 cm² voor de toevoer van verse lucht.
De verbrandingsgassen moeten langs een schouw naar buiten afgevoerd worden.
De binneninstallaties zullen van die aard zijn, dat zij de drinkbaarheid
van het water vrijwaren, in 't bijzonder wat de materialen van de leidingen
betreft.
Artikel 11: Elektrische installaties
In het gebouw is enkel elektrische
verlichting toegelaten. Elk vertrek moet uitgerust zijn met een installatie
die het mogelijk maakt een lichtbron te plaatsen. De elektrische installaties
moeten voor het ganse gebouw voldoen aan de in voege zijnde voorschriften
en reglementen, geplaatst worden volgens de grondregels van de bouwkunst,
in goede staat gehouden worden zodat ze voldoende veiligheid verzekeren
en gekeurd worden door een persoon of instelling, erkend door de bevoegde
overheid. Bij elke uitbreiding of wijziging van de installatie en in geval
van verandering van eigenaar van het gebouw, zal de installatie opnieuw
moeten gekeurd worden.
Artikel 12: Verwarmingsinstallaties
De verwarmingsinstallaties voor het
ganse gebouw moeten beantwoorden aan de in voege zijnde voorschriften,
reglementen en normen, geplaatst worden volgens de grondregels van de
bouwkunst, in goede staat gehouden worden zodat ze voldoende veiligheid
verzekeren en gekeurd worden door een persoon of instelling, erkend door
de bevoegde overheid. Zo de verwarmingstoestellen gevoed worden met vloeibare
brandstof moeten de nodige schikkingen getroffen worden om hevelwerking
te voorkomen.
Elektrische verwarmingstoestellen die een zichtbare elektrische weerstand
bevatten, installaties met butaan-propaan of ander brandbaar gas in verplaatsbare
recipiënten of verplaatsbare toestellen gevoed met vloeibare brandstof,
zijn verboden.
Bij elke uitbreiding of wijziging van de verwarmingsinstallatie en in
geval van verandering van eigenaar van het gebouw, zal de installatie
opnieuw moeten gekeurd worden.
Artikel 13: Veiligheid en brandbestrijding
Voor elke omvorming van een eengezinswoning
tot een woning voor meerdere gezinnen of voor elke verdeling van het gebouw
of de woning, is de eigenaar ertoe gehouden langs het gemeentebestuur
om, het advies te vragen van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor
Brand en Dringende Medische Hulp en vóór de bezetting van de lokalen een
gelijkvormigheidsattest te bekomen bij dezelfde dienst.
Bij verbouwingen aan het gebouw, wijziging van de lokalen of wijziging
van de bestemming van de lokalen zal eveneens het advies van de hogervermelde
Brandweerdienst moeten bekomen worden zonder afbreuk te doen aan de wettelijke
en voorgeschreven bepalingen op het gebied van de stedebouw.
Artikel 14: Onderhoud
De technische uitrusting van het gebouw
moet in goede staat gehouden worden. De eigenaar zal zich moeten schikken
naar de in voege zijnde voorschriften.
Bovendien dient elke uitbreiding van de technische uitrusting te gebeuren
volgens de grondregels van de bouwkunst.
Artikel 15: Toezicht
De eigenaar, de huurder of de verantwoordelijke
mag zich niet verzetten tegen een controlebezoek van het gebouw door de
afgevaardigden van:
- de Politie;
- de Brandweerdienst;
- de dienst Hygiëne;
- de dienst Stedebouw.
Deze diensten kunnen zich laten bijstaan door afgevaardigden van bevoegde
instellingen. Zij zullen de nodige toelichtingen verstrekken om het controlebezoek
in de beste omstandigheden te laten verlopen.
Dit controlebezoek zal uitsluitend plaatshebben tussen 8u00 en 20u00 door
vertegenwoordigers van voornoemde diensten in het bezit van een rechtvaardigingskaart.
Artikel 16: Overgangsmaatregelen
De gebouwen die bij het van kracht
worden van onderhavig reglement niet voldoen aan de gestelde voorwaarden,
moeten binnen de kortst mogelijke termijn, en in ieder geval binnen de
drie maand na de goedkeuring van onderhavig reglement, in orde gebracht
worden.
Op een met reden omkleed verzoek van de eigenaar kan het college van Burgemeester
en Schepenen voornoemde termijn verlengen, zonder evenwel een maximumtermijn
van drie maand te overschrijden. De verzoeker zal een dossier moeten indienen met een met reden omkleed
voorstel en alle nodige inlichtingen voor het onderzoek van de aanvraag
tot verlenging.
Dit dossier moet ook de technisch verantwoorde termijnen tot uitvoering
van de noodzakelijke aanpassingen vermelden.
Artikel 17: Maatregelen van de Burgemeester
Op verslag van de bevoegde dienst
kan de Burgemeester een gebouw dat niet aan de gestelde voorwaarden voldoet,
onbewoonbaar verklaren of doen ontruimen en aan de eigenaar een beperkte
tijd toestaan om de nodige aanpassings- of veranderingswerken uit te voeren.
Indien de eigenaar, in dit laatste geval binnen de gestelde termijn de
voorgeschreven aanpassingen niet heeft aangebracht, kan de Burgemeester
het gebouw onbewoonbaar verklaren en huurverbod opleggen.
Het Besluit van de Burgemeester tot onbewoonbaarheidsverklaring, tot ontruiming
of tot huurverbod zal gemotiveerd worden en door de politie betekend worden
aan de betrokken eigenaar of verhuurder.
Ingeval besloten wordt tot ontruiming zal het Besluit ook betekend worden
aan de huurders.
In het Besluit wordt opgegeven binnen welke termijn de woning of het gebouw
ontruimd moet zijn.
Artikel 18: Straffen
Niettegenstaande de eventuele rechtsvordering
bij de Belgische Hoven en Rechtbanken zullen de overtredingen of niet
naleving van enige bepaling van onderhavige verordening bestraft worden
met politiestraffen.
HOOFDSTUK II
A) GEMEUBELDE LOKALEN BESTEMD VOOR
HET WONEN VAN STUDENTEN
AFDELING 1 - TOEPASSINGSGEBIED
Artikel 19: Huidige reglementering
vervolledigt de ordonnantie betreffende de gemeubelde woningen verhuurd
of in verhuring geplaatst, zonder beperking van de duur van de bezetting
van die woningen, behalve indien het betrokken gebouw door de verhuurder
bezet wordt of indien er niet meer dan twee gemeubelde woningen in het
gebouw verhuurd worden.
Artikel 20: De verordening is
niet van toepassing op inrichtingen waarvoor andere wettelijke bepalingen
vastgesteld zijn, in 't bijzonder rusthuizen, bejaardentehuizen, hotels,
ziekenhuizen, internaten verbonden aan scholen, inrichtingen voor sociale
bijstand.
AFDELING 2 - UITBATINGSVOORSCHRIFTEN
Artikel 21: In gebouwen met
meer dan drie huurders is de aanstelling van een plaatselijk verantwoordelijke
noodzakelijk zo de eigenaar of verhuurder niet in het gebouw woont.
In dit geval stelt de eigenaar of verhuurder de plaatselijk verantwoordelijke
aan om als tussenpersoon op te treden tussen huurders en eigenaar en te
helpen toezicht houden op de goede staat en het gebruik van het verhuurde
goed.
De eigenaar, de verhuurder of de plaatselijk verantwoordelijke die belast
is met het dagelijks beheer van de studentenwoning dient, voor zover hij
er werkelijk gehuisvest is, over een voldoend aantal privé- vertrekken
te beschikken, prorata de samenstelling van zijn gezin en de normen opgenomen
in hoofdstuk 1.
Artikel 22: In de toegangshall
van het gebouw moet op een duidelijk zichtbare plaats een identiteitslijst
aangebracht worden, welke de naam, de voornaam, de verdieping, het kamernummer
van de studenten-bewoners en de naam van de plaatselijk verantwoordelijke
vermeldt zo de eigenaar of verhuurder niet in het gebouw woont, evenals
alle vergunningen vereist door onderhavig reglement.
AFDELING 3 - BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN
Artikel 23: Bijzondere voorschriften
Buiten hetgeen voorzien is door onderhavig
reglement, moet de eigenaar, de verhuurder, of de plaatselijk verantwoordelijke
op het vlak van de veiligheid en de hygiëne, alle schikkingen treffen
om de personen, aanwezig in het gebouw, te beschermen tegen brand, paniek
en ontploffingen.
De bestendige maatregelen die in dat opzicht moeten genomen worden door
de eigenaar, de verhuurder, de plaatselijk verantwoordelijke en de huurder
moeten vermeld worden in een huishoudelijk reglement dat op een zichtbare
plaats zal uithangen in de toegangshall en op de verschillende verdiepingen
van het gebouw.
De studenten moeten bij het ingaan van het huurceel, alsook periodisch
en ten minste één maal per jaar, ingelicht worden over het bestaan en
gebruik van de verschillende ontruimingswegen,de meldings-, waarschuwings-
en alarminstallaties, de blusuitrustingen en andere.
Deze moeten te allen tijde vrij bereikbaar en gebruiksklaar gehouden worden.
De eventuele opmerkingen die zouden gemaakt worden door de bevoegde overheden
zullen zonder verwijl moeten uitgevoerd worden.
B) ONGEMEUBELDE LOKALEN BESTEMD
VOOR HET WONEN VAN STUDENTEN
AFDELING 1 - TOEPASSINGSGEBIED
Artikel 24: Vallen onder toepassing
van onderhavig reglement, elk gebouw of deel van een gebouw, waarin voor
een willekeurige periode minstens drie individuele kamers, inbegrepen,
de lokalen bestemd voor gemeenschappelijk gebruik, bestemd worden om te
verhuren aan studenten.
Artikel 25: De verordening is niet
van toepassing op inrichtingen waarvoor andere wettelijke bepalingen vastgesteld
zijn, in 't bijzonder: rusthuizen, bejaardentehuizen, hotels, ziekenhuizen,
internaten verbonden aan scholen, inrichtingen van maatschappelijk welzijn.
AFDELING 2 - UITBATINGSVOORSCHRIFTEN
Artikel 26: Elke persoon die drie
of meer individuele kamers verhuurt aan studenten moet dit ter kennis
brengen van de Burgemeester met mededeling van het aantal verhuurde kamers
en van de wijze van inrichting van deze vertrekken.
Artikel 27: In gebouwen waar meer dan drie studenten wonen is de aanstelling
van een plaatselijk verantwoordelijke noodzakelijk zo de eigenaar of verhuurder
niet in het gebouw woont.
In dit geval stelt de eigenaar of verhuurder de plaatselijk verantwoordelijke
aan om als tussenpersoon op te treden tussen huurders en eigenaar en te
helpen toezicht houden op de goede staat en het gebruik van het verhuurde
goed.
De eigenaar, de verhuurder of de plaatselijk verantwoordelijke die belast
is met het dagelijks beheer van de studentenwoning dient, voor zover hij
er werkelijk gehuisvest is, over een voldoend aantal privé- vertrekken
te beschikken, prorata de samenstelling van zijn gezin en de normen opgenomen
in hoofdstuk 1.
Artikel 28: In de toegangshall van
het gebouw moet op een duidelijk zichtbare plaats een identiteitslijst
aangebracht worden, welke de naam, de voornaam, de verdieping, het kamernummer
van de studenten en de naam van de plaatselijk verantwoordelijke vermeldt
zo de eigenaar of verhuurder niet in het gebouw woont, evenals alle vergunningen
vereist door onderhavig reglement.
AFDELING 3 - NORMEN
Artikel 29: Ligging
De achtergebouwen evenals de lokalen
waarvan de zoldering zich op minder dan 1m00 boven het maaiveld bevindt
mogen niet voor bewoning gebruikt worden, tenzij zij er als dusdanig voor
opgevat werden en op voorwaarde dat ze een vrije hoogte hebben van 2m10.
De bezetting van kamers gelegen boven gevaarlijke , hinderlijke of ongezonde
inrichtingen worden beschouwd als onveilige huisvesting.
Dit behelst onder andere: kamers boven restaurants, frituren, schrijnwerkerijen,
garages, werkplaatsen, opslagplaatsen met gemakkelijk ontvlambare stoffen.
De bezetting van deze kamers kan enkel toegelaten worden indien er een
gunstig advies van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brand en Dringende
Medische Hulp bekomen wordt.
Elke kamer moet rechtstreeks toegankelijk zijn en dus niet via een andere
kamer.
Artikel 30: Oppervlakte
De netto oppervlakte van een kamer
moet minstens 9m² per bewoner bedragen.
Artikel 31: Goede bewoonbaarheid
De muren evenals de vloeren, de beschotten
en de zolderingen van de dag- en nachtvertrekken mogen geen teken van
bestendige vochtigheid vertonen en er mogen geen scheuren of barsten aanwezig
zijn welke lucht doorlaten of waterdoorzijpelingen mogelijk maken.
Artikel 32: Natuurlijke verluchting
en verlichting
Elke kamer moet voorzien zijn van
ten minste één vertikaal venster of ten minste één dakvlakvenster dat
rechtstreeks uitgeeft op de vrije lucht en op een ruimte die groot genoeg
is om de onmisbare natuurlijke verluchting en verlichting mogelijk te
maken.
In geen enkel geval mag de verhouding van de netto-oppervlakte van de
vensters tot de oppervlakte van de door deze vensters verlichte vloer
lager dan 1/5 zijn. De oppervlakte van de dakvensters van de dakkamers,
of van de koepels, of van andere doorzichtige panelen, die de bovenste
verdiepingen verlichten, moet minstens een halve vierkante meter bedragen.
Artikel 33: Uitrusting
De minimale uitrusting van de woning
vergt de aanwezigheid van een systeem van bevoorrading van drinkwater
of de aansluiting op het watervoorzieningsnet, de aansluiting op het elektriciteitsnet
en een afvoersysteem voor de afvalwaters aangesloten aan het openbaar
rioleringsnet.
Bovendien dient elke uitbreiding van de technische uitrusting van het
gebouw te gebeuren volgens de grondregels van de bouwkunst.
Artikel 34: Sanitaire installaties
Het gebouw moet uitgerust zijn met
volgende sanitaire installaties:
- een individuele wastafel. Als de kamers er niet mee uitgerust zijn,
moet er in de nabijheid één wastafel per kamer voorzien worden voor uitsluitend
gebruik van de bewoners van de kamers. De wastafels moeten uitgerust zijn
met een kraan met stromend water en een reukafsnijder en verbonden zijn
met een verluchte afvoerbuis;
- één W.C. met spoelinrichting, per groep of deel van een groep van vijf
studenten. Deze laatste mag geen directe toegang hebben tot bewoonbare
vertrekken of tot een lokaal waar voedingsstoffen bereid of bewaard worden. De
deur moet kunnen gesloten worden langs de binnenzijde. Het toilet moet
rein zijn, goed onderhouden worden en voldoende verwarmd zijn.
De sanitaire lokalen moeten voorzien zijn van een voldoende rechtstreekse
buitenverluchting, onafhankelijk van de luchtverversing van de kamers
en van de gemeenschappelijke lokalen. In gebouwen waar meer dan 5
studenten wonen is een bad of stortbad verplicht per groep of deel van
een groep van vijf studenten.
De vertrekken uitgerust met een waterverwarmer gevoed met gas moeten voorzien
zijn van een opening van minstens 150 cm² voor de toevoer van verse lucht.
De verbrandingsgassen moeten langs een schouw naar buiten afgevoerd worden.
Artikel 35: - Elektrische uitrustingIn
het gebouw is enkel elektrische verlichting toegelaten.
Elke kamer moet uitgerust zijn met
minstens twee oordeelkundig geplaatste stopkontakten en verlicht worden
door een vast geplaatste lichtbron.
De elektrische installaties moeten voor het ganse gebouw voldoen aan de
in voege zijnde voorschriften en reglementen geplaatst worden volgens
de grondregels van de bouwkunst, in goede staat gehouden worden zodat
ze voldoende veiligheid verzekeren en gekeurd worden door een persoon
of instelling, erkend door de bevoegde overheid.
Bij elke uitbreiding of wijziging van de installatie en in geval van verandering
van eigenaar van het gebouw, zal de installatie opnieuw moeten gekeurd
worden.
Artikel 36: Verwarmingsinstallaties
De verwarmingsinstallaties moeten
voor het ganse gebouw beantwoorden aan de in voege zijnde voorschriften
en reglementen, geplaatst worden volgens de grondregels van de bouwkunst,
in goede staat gehouden worden zodat ze voldoende veiligheid verzekeren
en gekeurd worden door een persoon of instelling, erkend door de bevoegde
overheid.
Zo de verwarmingstoestellen gevoed worden met vloeibare brandstof moeten
de nodige schikkingen getroffen worden om hevelwerking te voorkomen. Elektrische
verwarmingstoestellen die een zichtbare elektrische weerstand bevatten,
installaties met butaan-propaan of ander brandbaar gas in verplaatsbare
recipiënten of verplaatsbare toestellen, gevoed met vloeibare brandstof,
zijn verboden.
Bij elke uitbreiding of wijziging van de installatie en in geval van verandering
van eigenaar van het gebouw, zal de installatie opnieuw moeten gekeurd
worden.
Artikel 37: Gemeenschappelijke lokalen
en keukens
Ieder studentenhuis met minimum 5
kamers moet beschikken over een gemeenschappelijke lokaal van minstens
3m² per kamer. De Burgemeester kan hierop afwijkingen toestaan als er een vaste keukeninrichting
van voldoende grootte is ingericht, met keukenkast, spoelbak, twee kookplaten
en een frigo.
Artikel 38: Veiligheid en brandbestrijding
De eigenaar is ertoe gehouden langs
het gemeentebestuur het advies te vragen van de Brusselse Hoofdstedelijke
Dienst voor Brand en Dringende Medische Hulp en vóór de bezetting van
de lokalen een gelijkvormigheidsattest bekomen bij dezelfde dienst.
Bij verbouwingen aan het gebouw, wijziging van de lokalen of van de bestemming
van de lokalen en bij verandering van eigenaar zal eveneens het advies
van de hogervermelde dienst moeten bekomen worden.
Artikel 39: Bijzondere voorschriften
Buiten hetgeen voorzien is door onderhavig
reglement, moet de eigenaar, de verhuurder, of de plaatselijk verantwoordelijke
op het vlak van de veiligheid en de hygiëne, alle schikkingen treffen
om de personen, aanwezig in het gebouw, te beschermen tegen brand, paniek
en ontploffingen.
De bestendige maatregelen die in dat opzicht moeten genomen worden door
de eigenaar, de verhuurder, de plaatselijk verantwoordelijke en de student-huurder
moeten vermeld worden in een huishoudelijk reglement dat op een zichtbare
plaats zal uithangen in de toegangshall en op de verschillende verdiepingen
van het gebouw.
De studenten moeten bij het ingaan van het huurceel, alsook periodisch
en ten minste één maal per jaar, ingelicht worden over het bestaan en
gebruik van de verschillende ontruimingswegen,de meldings-, waarschuwings-
en alarminstallaties, de blusuitrustingen en andere.
Deze moeten te allen tijde vrij bereikbaar en gebruiksklaar gehouden worden.
De eventuele opmerkingen die zouden gemaakt worden door de bevoegde overheden
zullen zonder verwijl moeten uitgevoerd worden.
|